Ondersteuning van de zaaigoedketen
In Rwanda stelt de landbouw meer dan 80 % van de actieve bevolking tewerk en vertegenwoordigt hij ongeveer 45 % van het bbp. In het kader van de strijd tegen voedselonzekerheid, moest het project ter ondersteuning van de Rwandese zaaigoedketen ervoor zorgen dat de juiste hoeveelheden kwalitatief hoogstaand zaaigoed, aangepast aan de plaatselijke agro-bio-klimatologische omstandigheden, geproduceerd werden en toegankelijk waren voor de landbouwers. Dat verliep via de versterking van het institutioneel en organisatiekader van de keten en van de rol van de privésector in de zaaigoedproductie en via een kwaliteitscontrole doorheen de hele keten.
De Rwandese landbouw is één van de slechtste leerlingen inzake het gebruik van moderne productiemiddelen. Bij aanvang van het project bedroeg de benuttingsgraad van geselecteerd zaad effectief 1,5 % en die van minerale meststoffen 5kg/ha/jaar (tegen 300-400 kg/ha/jaar in de ontwikkelde landen). Deze povere benuttingsgraad van productiemiddelen verklaart grotendeels het lage productiviteitsniveau van de Rwandese landbouw. De zaden zijn immers bijzonder belangrijk want zij bepalen de productie en zonder de zaden kan men geen enkel productiemiddel of investering laten renderen.
Institutionele verankering
Het project handelde onder voogdij van het ministerie van landbouw en opereerde binnen de RADA (Rwanda Agriculture Development Authority). In de geest van de in 2004 goedgekeurde strategie voor landbouwbeleid, moest het project de capaciteiten van deze instellingen versterken om de zaaigoedsector te reguleren en te arbitreren, en tegelijkertijd de productie en commercialisering aan de privésector over te laten.
Resultaten en impact
De resultaten van een project zijn makkelijk meetbaar ten opzichte van de vertrekdoelstellingen. Dit in tegenstelling tot de impact die een project kan hebben, want daarvoor ontbreken vaak de nodige gegevens.
In dit concreet geval verklaren de begunstigden dat de landbouwers nu kwalitatief hoogstaand zaad gebruiken voor de belangrijkste gewassen. Echter door het feit dat de teelt ervan gesubsidieerd wordt, bestaat het risico dat de mensen het niet overnemen. De zaadproducenten zijn erg gemotiveerd en betrokken (stijging van het aantal ingeschrevenen en oppervlaktes), maar het probleem van middelen zal in deze risicosector steeds blijven bestaan. Het toekennen van kredieten stelt inderdaad problemen, meer bepaald omwille van de lage terugbetalingsgraad, vooral wanneer het om coöperaties gaat (die vaak beheersproblemen hebben) terwijl men een circulatiefonds wou samenstellen.
De evaluatie doet ook beseffen dat bepaalde doelstellingen soms te ambitieus zijn. Zo was de doelstelling om de staat door de privésector te vervangen niet realistisch. Deze sector beschikt immers nog niet over de nodige middelen om het over te nemen. De Rwanda Agriculture Development Authority produceert dus nog steeds het basiszaaigoed en koopt nog steeds alle gecertifieerd zaad.
Vooruitzichten
Als we stellen dat het een project voor capaciteitsversterking was, dan hebben we een stap vooruit gezet. Dankzij het project werden er op regionaal en nationaal niveau overlegeenheden opgericht voor de zaadmultiplicatoren. De privésector is betrokken bij de productie van gecertifieerd zaad, een genbank werd opgebouwd, uitgerust en voorzien van personeel dat is opgeleid om genetisch materiaal te bewaren. De productie van basiszaad is toereikend, de provinciale cellen voor kwaliteitscontrole zijn operationeel.
Maar het projectteam erkent dat de resultaten niet duurzaam zouden zijn wanneer een ander project de fakkel niet overneemt: ‘De behaalde resultaten blijven uiterst broos en worden pas leefbaar als er zowel financiële en technische steun blijft komen om ze te consolideren.’ De specialisten schatten dus dat er nog vijf jaar nodig is alvorens de sector autonoom kan functioneren. Daarom steunt BTC ook de tweede fase van het strategisch plan voor landbouwtransformatie vanaf midden 2011.



