
Tussen 1975 en 1979 ontmantelde het Rode Khmer-regime het Cambodjaanse onderwijssysteem en roeide daarbij ook alle leraren uit. Er bleven voor het hele land maar 54 leerkrachten over. Dit cijfer alleen al illustreert de enorme uitdaging voor de overheid om opnieuw een degelijk onderwijssysteem uit te bouwen.
30 jaar later blijft kwaliteitsonderwijs voor allen een probleem door het gebrek aan geschikte infrastructuur, het tekort aan gekwalificeerde leerkrachten (gemiddeld 55 leerlingen per leraar in het basisonderwijs), de veel hogere schoolstartleeftijd dan normaal, het grote aantal vroegtijdige schoolverlaters evenals de lage kwaliteit van het onderwijs en het leerproces.
Daarbovenop komen nog de sterke versnippering van de ontwikkelingshulp waarvan het land grotendeels afhankelijk is en de ownership- en corruptieproblemen die de impact van heel veel projecten ondermijnen. Nochtans staat de Cambodjaanse regering de voorbije jaren klaar om de doeltreffendheid van de hulp en de ontwikkeling van echte partnerschappen te versterken.
De Belgische ontwikkelingssamenwerking financiert sinds 2003 het project ‘Basisonderwijs en lerarenopleiding’ (BETT). De doelstelling van het project is om meer kinderen naar school te krijgen en de kwaliteit van het basisonderwijs te verbeteren. Het wordt gezamenlijk uitgevoerd door BTC en het Cambodjaanse ministerie van Onderwijs, Jeugd en Sport en focust op drie provincies: Siem Reap, Otdar Meanchey en Kampong Cham. Het project focust op drie actielijnen: de bouw en de renovatie van de schoolinfrastructuur, het opzetten van een beurssysteem en de steun aan de vorming van de leerkrachten.
Sinds 2003 werden op 110 plaatsen meer dan 650 klaslokalen gebouwd die met schoolmeubilair en het nodige sanitair werden uitgerust. Ook drie opleidingscentra voor leerkrachten werden vernieuwd of uitgebreid. Zij bieden een stimulerende leeromgeving aan meer dan 112.000 leerlingen, studenten en leerkrachten.
De deelname van de lokale gemeenschappen is noodzakelijk om een ownershipgevoel te ontwikkelen en om de duurzaamheid van de voorzieningen te garanderen. Daarvoor werden op elke bouwplaats een aantal commissies samengesteld en opgeleid: de School Support Committees. Zij dragen de vierdubbele verantwoordelijkheid voor de dagelijkse opvolging van de bouw, voor de uitvoering van kleine verbeteringswerken, voor het onderhoud en het goede beheer van de school en, ten slotte, om ervoor te zorgen dat alle kinderen toegang hebben tot de school. De steun van deze commissies blijkt heel nuttig te zijn doordat hun dagelijkse observaties bijdragen tot een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van de bouwwerken en tot de toe-eigening van de gebouwen door de bevolking (ownership).
Na discussies met de leerkrachten, ouders en ngo-vertegenwoordigers werden verbeteringen aangebracht aan het tot dan gebruikte scholenbouwmodel: een betere natuurlijke ventilatie en bescherming tegen regen en zon, levering van uitrusting en meubels die flexibel zijn in gebruik, toegankelijkheid voor mindervaliden, toegang tot water en toiletten het hele jaar door, integratie van milieuzorg door geen hout uit de illegale houtkap meer te gebruiken, enz. Het kwam erop aan een traditioneel bouwmodel aan te bieden, dat gemakkelijk te bouwen is door weinig ervaren arbeiders en zonder speciaal gereedschap.
Een bevraging uit 2007 toont aan dat leerkrachten en leerlingen massaal (86%) achter het ontwikkelde model staan omwille van het hogere comfort en een grotere gebruiksvriendelijkheid op het vlak van uitrusting, temperatuur en natuurlijke verlichting in vergelijking met het officiële model van het ministerie. Na deze evaluatie heeft het ministerie de meeste door dit project gestarte initiatieven geïntegreerd. Het droomt ervan om dit model op middellange termijn definitief aan te nemen voor het gehele land. Zo wordt het Provinciaal Pedagogisch College van Siem Reap, dat met de steun van het project werd gerenoveerd en uitgebreid, als nationaal model gepromoot.
Rest enkel nog het onderhoud en het goede beheer van de school. Beide zijn heel sterk afhankelijk van de motivatie van de directeurs van de instellingen. Ondanks hun magere loontje zet minstens een derde van hen zich ten volle in om bij te dragen tot tastbare verbeteringen. Uitwisselingen tussen gemeenschappen en een grotere betrokkenheid van het ministerie op het terrein moeten bijdragen tot een veralgemening van deze goede praktijken.
Het beurzenprogramma wil het aantal vroegtijdige schoolverlaters indijken en de overgang van lager onderwijs naar lager middelbaar onderwijs bevorderen. Want terwijl er aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt met de veralgemening van het lager onderwijs (netto schoolbezoek van 91,3%), blijft de deelname aan het middelbaar onderwijs heel zwak (netto schoolbezoek van 31,3%). Daarom geeft het programma voorrang aan de allerarmsten, waarvan 60% meisjes, omdat zij gemakkelijker hun studies stopzetten. De Local Management Committees in de scholen werden opgeleid om het beurzenprogramma in hun school te beheren en erover verslag uit te brengen.
Tijdens de 3 jaar dat het programma op dit vlak actief was, hebben meer dan 6400 leerlingen van 69 scholen een beurs ontvangen. Het bedrag van die beurs is afhankelijk van de financiële situatie van de gezinnen: 45, 60 of 90 US$ per jaar. Dat bedrag dekt onder meer de kosten voor schoolgerief, een uniform en een fiets om naar school te rijden.
Een van de sterke punten van het beurzenprogramma is de permanente verbetering van de procedures, de monitoring en de evaluatie. Deze ervaring werd gedeeld met andere donoren waaronder de Wereldbank, die het programma in 2007 heeft overgenomen.
In Cambodja verschilt de toestand niet zo veel van andere ontwikkelingslanden of postconflictzones. De opleiding van leerkrachten is ondermaats, de schoolboeken en pedagogische hulpmiddelen zijn beperkt en de pedagogische methoden zijn weinig actief en participatief.
BTC ondersteunt het Cambodjaanse ministerie van Onderwijs om geleidelijk veranderingen door te voeren. Daarbij wordt het accent gelegd op het verbeteren van de pedagogische methodes in de lessen wiskunde en Khmer, het verbeteren van het schoolbeheer en de introductie van onderwerpen zoals gezondheid en milieu in het programma sociale vaardigheden.
Meer dan 200 lagere en lager middelbare scholen zijn betrokken bij het wiskundeprogramma, of 140.000 leerlingen en 1850 leerkrachten, verspreid over de drie doelprovincies. Het is opgebouwd op basis van het nationale curriculum en bestaande handboeken en omvat 6 modules, die gebruikmaken van een pedagogische leermethode en specifieke leeractiviteiten. De leerkrachten worden vervolgens in hun klas opgevolgd en begeleid en genieten permanente vorming.
Het Khmerprogramma waaraan 127 basisscholen (45.000 leerlingen en 1000 leerkrachten) deelnemen, focust op zijn beurt op het leren lezen.
Het programma voor gezondheidsopvoeding vult de bijdrage tot de lerarenopleiding aan. Het focust op hygiëne en sanitatie, ziektepreventie en voeding want gezondheid ligt dikwijls aan de basis van het vroegtijdig schoolverlaten.
De aanpak van het project is uniek zowel op technisch (schoolmodel, beurzenprogramma) als op conceptueel vlak (gedecentraliseerd en participatief, aandacht voor capaciteitsontwikkeling, permanent verbeteringsproces, invloed op nationaal niveau).
Het project bewijst zijn waarde maar bereikt toch maar 5% van de basisscholen en 50% van de middelbare scholen in de 3 doelprovincies. Daarom is de verspreiding en het grootschalig gebruik van de ontwikkelde materialen en instrumenten zo belangrijk, meer bepaald in de basisopleiding van de leerkrachten en in de bijscholingscursussen en de permanente vorming.
Het ministerie van Onderwijs heeft een eerste initiatief genomen door aan het project te vragen om zijn wiskundeprogramma uit te breiden naar alle opleidingscentra voor leerkrachten van het land. De mogelijkheden voor het Khmerprogramma en het programma voor gezondheidsopvoeding moeten nog worden onderzocht.
Daarnaast is het nu ook de bedoeling om de capaciteiten van de verschillende betrokkenen verder te versterken. Het project wil zo ook zijn ervaring delen met de organisaties die actief zijn in de onderwijssector. Door deel te nemen aan werkgroepen en technische workshops op nationaal niveau, wil het ten slotte meer impact hebben op beleidsniveau.