Decentralisatie: vertrouwen is cruciaal

In Niger is sinds 2004 een staatshervorming aan de gang die deconcentratie en decentralisatie 1 verenigt. Vele buitenlandse donoren (Lux-Development, de Zwitserse ontwikkelingssamenwerking, de Wereldbank of de Europese Unie) dragen bij tot de globale resultaten die Niger op dat vlak boekt.

België ondersteunt het decentralisatieproces sinds 2006 via het Ondersteuningsprogramma voor de oprichting van het lokaal bestuur in de regio Dosso (PAMED). Reeds vanaf de start had het programma een experimenteel karakter: naargelang de resultaten zal het volledig of gedeeltelijk als voorbeeld dienen voor het nationale decentralisatiebeleid van de Nigerese regering. Het wil de beleidskeuze van de regering voor armoedebestrijding ondersteunen door de gemeenten operationeel te maken. Het programma is gepland voor een periode van 4 jaar en loopt ten einde in 2010. Het bestrijkt 43 gemeenten in de regio Dosso, verspreid over vijf departementen. Er wonen 1,6 miljoen mensen op een oppervlakte die even groot is als België.

Responsabilisering van de gemeenten start een positieve spiraal

Omdat de decentralisatiestrategie van de regering prioriteit geeft aan het installeren van de gemeenten, concentreert het programma zijn inspanningen rechtstreeks daarop. De lokale verkozenen zijn onvoldoende opgeleid. Ze beschikken bovendien over te weinig logistieke en menselijke middelen om te werken. In deze context is de prioriteit in de eerste twee jaar de 43 gemeenten te ondersteunen om zich minimaal te organiseren en de verkozenen een basisopleiding lokaal beheer (budget, burgerlijke stand, bouw enz.) te geven. Het was ook nodig om de capaciteiten voor ontwikkelingsplanning van de gemeenten te versterken met het opstellen van gemeentelijke ontwikkelingsplannen, in nauwe samenwerking met de bevolking.

Bij de start van het programma beschikten slechts 13 gemeenten over een algemeen secretaris. Eind 2007 waren dat er 27. Het aantal ontvangers steeg van 16 naar 40; het aantal secretarissen van 12 naar 17, terwijl het aantal ambtenaren van burgerlijke stand aangroeide van 27 tot 44.

In 2006 beschikten slechts 5 gemeenten over een gemeentelijk ontwikkelingsplan. Eind 2007 beschikten 43 gemeenten over dit document, al zijn ze wisselend van kwaliteit. Het participatieve proces bij het opstellen van deze plannen is zeer belangrijk. In de toekomst zal de bevolking steeds beter voorbereid zijn om zo haar burgerschap uit te oefenen.

Financiële hulp en sociale controle

Een van de eerste activiteiten van het programma bestond in de oprichting van een Lokaal Ontwikkelingsfonds. Dat fonds kan gemeenten zonder gemeentehuis financieel bijstaan in de bouw, de rehabilitatie of de aankoop van een ruimte. In de gehele regio Dosso beschikten begin 2006 slechts 13 gemeenten op 43 over een lokaal voor het gemeentehuis. In 2007 en 2008 financierde het programma 30 bouwwerven (waarvan 1 rehabilitatiewerf). Eind 2008 vestigden 43 gemeenten zich in definitieve lokalen.

Het Lokaal Ontwikkelingsfonds ondersteunt ook de investeringsinspanningen (2 €/jaar/inwoner) van 15 gemeenten (428.000 inwoners, waaronder de meest kwetsbare). 60% van deze fondsen moet gebruikt worden voor de financiering van gemeentelijke investeringen en 40% voor gemeenschapsinitiatieven.

De jaarlijkse dotaties van het Lokaal Ontwikkelingsfonds worden berekend volgens een formule waarbij de armste gemeenten meer krijgen. Maar die verdeelsleutel is vooral afhankelijk van de jaarlijkse prestaties van iedere gemeente: fiscale efficiëntie, gemeentelijk bestuur (houden van zittingen, respecteren van deadlines enz.).

Nagenoeg alle gemeenten houden nu ten minste 4 zittingen, sommige meer. In 2005 werd slechts van 8% van de zittingen een verslag opgemaakt; in 2007 steeg dit percentage naar 97%.
In 2005 keurde minder dan een gemeente op 2 haar begroting goed binnen de wettelijke termijnen. Voortaan zijn er dat 87%, al blijft de invoering van de administratieve rekening duidelijk achter.

In verband met de financiële hulp kan een fundamentele vraag gesteld worden: komt een dergelijke hulpverlening aan de gemeenten niet neer op een vermenigvuldiging van de risico’s voor verduistering, wanbeheer en corruptie? Uit de financiële audits die in de 15 dotatie-ontvangende gemeenten werden uitgevoerd, blijkt dat “de financiële staten regelmatig en eerlijk zijn en een trouw beeld geven van de ontvangen fondsen en hun gebruik”. Uiteraard hebben de auditeurs hier en daar gewezen op enkele materiële fouten, tekortkomingen of lacunes, maar op geen enkele intentionele fout, geen enkele verduistering of persoonlijke verrijking. Bovendien heeft het programma vastgesteld dat de 2 of 3 ernstige fouten van de verkozenen binnen de 48 uur door de bewoners zelf werden gemeld! Die ‘sociale controle’ illustreert de voordelen van een levende en gedecentraliseerde democratie. Een gecentraliseerd beleid biedt niet dezelfde garanties.

Voedselzekerheid krijgt voorrang

Aangezien het programma door het Belgisch Overlevingsfonds wordt gefinancierd, moeten de gemeenten vooral investeren in voedselzekerheid, weliswaar met respect voor de decentralisatie, de vrijheid en de autonomie van het gemeentebeleid.

De 15 begunstigde gemeenten hebben hun dotaties op de volgende manier benut (317 miljoen CFA in 2007; 517 miljoen in 2008 2): 64 % werd besteed aan activiteiten die in rechtstreeks verband staan met de voedselzekerheid van de kwetsbare bevolkingsgroepen. Belangrijker nog is dat 98% van de investeringen en initiatieven van de gemeenschap door het gemeentelijk budget worden ondersteund en dat 41 % van de gemeentelijke investeringen in die categorie valt. Die eerste resultaten zijn bemoedigend. Voor 2009 beslisten de 15 gemeenten om 75 tot 80% van hun begrotingsdotaties aan voedselzekerheid te besteden.

Nieuwe ontwikkeling

Om de nieuwe gemeenten efficiënte technische ondersteuning te bieden, is er in elk departement een Technisch adviseur aanwezig. Hij helpt de gemeenten om nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden te identificeren. Samen met de gemeenten volgt en controleert hij ook hoe de fondsen van het programma gebruikt worden, met respect voor het principe van een autonoom gemeentebeleid overeenkomstig de Nigerese wetgeving. Concreet betekent dit dat, zelfs wanneer de adviseur een negatief advies geeft over een geplande actie, de gemeente op eigen verantwoordelijkheid het risico kan nemen om de actie toch uit te voeren.
In 2007 hebben de adviseurs in totaal meer dan 550 dagen besteed aan consultancy op het terrein: oprichten van een archiefdienst en een Burgerlijke Stand, leren notuleren enz. Daarbovenop bewijst de tussentijdse evaluatie van het programma dat de verschillende actoren een andere attitude aannemen: de afwachtende en gelaten houding verdwijnt naarmate de lagere overheden zich organiseren en op zoek gaan naar een manier om de toekomst vorm te geven.

Het programma ter ondersteuning van de decentralisatie is geen voogdij: het adviseert, begeleidt, sensibiliseert, responsabiliseert, maar het neemt niemands plaats in. De responsabilisering van de verkozenen en hun ambtenaren vormt de basis van deze benadering, die uitgaat van vertrouwen.

Eerste resultaten openen perspectieven

De activiteiten van het programma, maar ook van de andere ontwikkelingspartners in de regio Dosso, kunnen leiden tot versnippering en op termijn dus territoriale ongelijkheden veroorzaken, indien ze niet evolueren. Daarom moeten de partners hun coördinatie verbeteren zodat hun respectieve actieterreinen beter bij elkaar aansluiten.
De begrotingshulp aan de lagere overheden, de responsabilisering van de verkozenen en de prestatiegerichte financiering zijn belangrijke hefbomen voor verandering met het oog op ontwikkeling.
 


1: Deconcentratie is de overdracht van beslissing(sbevoegdheid) van de centrale administratie naar de lokale of regionale administratie. Decentralisatie stemt overeen met de overdracht van bevoegdheden van de Staat naar de lagere overheden, die er juridisch los van staan.

2: 317.000.000 FCFA = 557.000 € / 517.000.000 FCFA = 908.000 €