
Mali is een historische graan- en meer bepaald tarweproducent in subsaharaans Afrika. Toch heerst er in het West-Afrikaanse land nog altijd voedselonzekerheid.
In de regio Timboektoe leggen kleine familiebedrijven zich toe op de tarweteelt. De streek biedt mogelijkheden op het vlak van natte en droge teelt en irrigatieteelt. Maar ze wordt geconfronteerd met de zwakke punten van bepaalde traditionele exploitatietechnieken: geen mechanisatie, artisanale aanleg van de irrigatiezones, slecht onderhoud van de motorpompen…
Dat, in combinatie met het gebruik van weinig productieve zaadvariëteiten, vertaalt zich in een rendement van niet meer dan 3 ton per hectare (in Europa kan dat oplopen tot 10 ton per hectare). De productie stagneert bijgevolg rond de 13.000 ton per jaar, terwijl de werkelijke tarweconsumptie van de hele Malinese bevolking wordt geschat op meer dan 120.000 ton per jaar.
Timboektoe is niet alleen een gebied van extensieve overlevingslandbouw, de regio is ook zeer geïsoleerd. Resultaat: de tarweprijs wordt naar beneden gehaald omdat er hoge transportkosten moeten worden aan toegevoegd (om nog te zwijgen van de concurrentie van geïmporteerde bloem). De tarweproductie vindt dus heel moeilijk een georganiseerde markttoegang, ook doordat de producentenorganisaties zelf amper georganiseerd zijn.
Die productie wordt dus voornamelijk ter plaatse verwerkt tot bloem en andere artisanale producten voor eigen consumptie. Ook de vrouwen van Timboektoe, die traditioneel het verwerkingsproces in handen hebben, beschikken over geen enkele vorm van mechanisering. Alles, van het zeven over het kneden en het klaarmaken tot het bakken, gebeurt met de hand.
Dat brengt uiteraard hoge productiekosten met zich. Afgeleide producten, erg geapprecieerd voor hun lekkere smaak, zijn dan weer van wisselende kwaliteit. Er is geen controle op de hygiëne waardoor het moeilijk is de producten op de markt te brengen buiten het buurtnetwerk. Het is dus heel moeilijk voor deze vrouwen om de overstap te maken van een artisanale activiteit van ‘pseudo-overleving’ naar een beroepsactiviteit die zou kunnen uitmonden in ‘micro-ondernemerschap’.
De doelstelling van het project dat de tarweketen in de regio Timboektoe (het Alkama-project) ondersteunt, is de tarweproductie en de commercialisering ervan te versterken (alkama betekent ‘tarwe’ in Songhai, de taal van de producenten en verwerkers van Timboektoe).
Hoe? Door de levensvatbaarheid van de tarweketen te verhogen en zo enerzijds bijkomende middelen en anderzijds een toegevoegde waarde voor de rurale en stedelijke families in de regio Timboektoe te creëren.
Het creëren van bijkomende middelen gebeurt via steun aan de producentenorganisaties om de productiviteit per hectare maar ook de rentabiliteit van die productie te verhogen. Deze ondersteuning vertaalt zich meer bepaald in investeringen zoals voor de aanleg van landelijke irrigatiezones, de aankoop van motorpompen en de bouw van opslagruimte.
Er is ook ondersteuning voor de vrouwenorganisaties (die de tarwe verwerken tot eindproducten) met de bedoeling om de productiviteit en de rentabiliteit van hun activiteiten te verbeteren. Dat gebeurt bijvoorbeeld via de mechanisering van een deel van de productie en via een verbetering van de productkwaliteit door de (inter)nationale kwaliteitsnormen na te leven. Daartoe zullen er mini-productieworkshops op poten worden gezet en microprojecten worden opgericht. Er wordt ook ondersteuning voorzien op het vlak van vorming (functionele alfabetiseringslessen...).
Al deze verenigingen zullen bovendien ondersteuning en advies op technisch, commercieel en beheersvlak genieten om zo hun werking te verbeteren. Om goede procédés tussen organisaties te kunnen uitwisselen, worden uitwisselingsbezoeken gepland.
Anderzijds helpt het project bij de versterking van goed bestuur en helpt het de ondersteunende diensten (regionale directies van de verschillende ministeries (Landbouw, Landbouwtechniek en Promotie van de vrouw, het kind en het gezin), de Kamer van landbouw van Timboektoe, het instituut voor plattelandseconomie) om de producenten en verwerkers efficiënter te ondersteunen in hun respectieve activiteiten. Dat gebeurt meer bepaald via de aankoop van informaticamateriaal en opleiding om dat materiaal te leren gebruiken.
Dat zou de gehele keten moeten ‘professionaliseren’.